12 oktober 2013

7. Mijn Naam is Vos, Inspecteur Vos.

versie 12.10.2013

Belevenissen met Sjaak Kraaij en Heer Vos. Aflevering 7: Heer Vos en Sjaak Kraaij bezoeken vermomd als Inspecteurs van de Pluiveedienst het kippenparadijs van Boer  Jansen. Zij vertrekken met een boodschappenkarretje vol met hennen.... voor nader onderzoek.

Het mislukte avontuur met Rosie zat Heer Vos in het geheel niet lekker. Vanuit de boerderij van Boer M. Jansen klonk een enorm lach-gekakel toen Rosie in geuren en kleuren haar ontsnapping en terugkeer uit de doeken deed. Vooral het deel waarin Rosie vertelde dat Heer Vos tegen de afrastering aanknalde terwijl zij al net binnen was werkte onbedaarlijk op de lachspieren van de kippen. Ze kukelden zich ondersteboven van het lachen.
  “Mooi zo,” zei boer Jansen (Met voor vrienden) die het levendige bedrijf in de kippenleefruimtes met welgevallen bekeek.
      “Rosie hier heen halen was een uitstekend idee, ook al zeg ik het zelf. Het begint te werken. Zie die kipkes eens lachen, niet? En’t is ook nog een leuk ding om naar te kijken,  zo’n fris varkentje.”
      Mistroostig zat Heer Vos dit allemaal aan te zien. Hij vroeg zijn maat Sjaak Kraaij niet om naar de majesteitelijke wilde kastanjeboom in de hoek van het erf van de boerderij te vliegen om vanuit die uitkijkpost de gebeurtenissen waar te nemen  om  vervolgens verslag uit te brengen van wat daar allemaal gezegd werd. Erger nog: Hij wilde niet weten wat er allemaal gezegd werd. Al die vrolijkheid zei hem genoeg.
      “Heer Vos,” merkte Sjaak op, “Het lijkt erop alsof die Rosie u edelachtbare aan het nadoen is.”
      En inderdaad, daar leek het niet alleen op, dat was nu net wat zij aan het doen was.
    “Het moet anders èn beter Sjaak,” sprak Vos verbeten. Wij vossen staan bekend om onze slimheid, varkens om hun domheid en kippen om hun kippigheid. Jullie vliegende kraaien vangen altijd wat. Maar mijn slimheid en jouw gevlieg leveren ons geen kippen of varkentjes op.”
Op dat moment kwam een bestelbusje voorrijden bij kippenboerderij klasse 2A van Boer Methusalem Jansen. Op de zijkant stond:

Ministerie van Landbouw
Inspectiedienst voor Pluimvee

Twee in hagelwitte uniformen gestoken beambten stapten uit. Zij liepen zonder enige aandacht te schenken aan Baba Zwartschaap en zijn assistent Bolle Bullie (ook wel Bullie Dozer geheten) het erf op naar de ingang van de boerderij.
      “Er op af Sjaak! Hier moeten we meer over weten,” beval Heer Vos. En Sjaak fladderde naar zijn vertrouwde uitkijkpost in de wilde kastanje boom. Hij luisterde de beambten af die op het kippenerf in gesprek waren met Boer Jansen.
      “Zoals u weet,” spraken de ambtenaren vormelijk, “zijn wij gehouden om zo nu en dan te controleren of u zich wel aan de regels houdt op grond waarvan uw kippenboerderij de beoordeling 2A verkregen heeft. Omdat wij u al zo lang kennen hebben we er alle vertrouwen in dat bij u alles in orde is.”
      “Heren, komt u toch binnen,” sprak Met uitnodigend, “komt u gerust efkens naar de kipkes kieken, en dan heeft u misschien nog tiet voor’n lekker bakske koffie met koek en ’n borrel.”
      “Jansen, ’t is maar dat je het weet,” deelden de ambtenaren hem vertrouwelijk mede, “maar de inspectie is veranderd. De minister heeft een onafhankelijk steekproeventeam ingesteld, die naast de geregelde inspectie die wij uitvoeren op onverwachte tijden en plaatsen komt onderzoeken. De minister is van mening dat de gewone inspecties soms wat te soepel verlopen, en, eh, aangetrokken moeten worden door inspecteurs van buiten.”
      “Oho,” reageerde Jansen bedachtzaam. Hij wist heel goed dat bevriende ambtenaren af en toe wel eens een oogje dicht deden bij een kleine overtreding. Zo zaten er wel eens meer kippen in het hok dan toegestaan was. “Da’s goed dat jullie me dat koo’m vertellen jongens, ik zal daar rekening met houden.”
      Sjaak rapporteerde aan Vos. “Er is een nieuwe inspectiedienst die onverwacht streng komt controleren of boer Jansen wel aan alle eisen voldoet. En boer Jansen gaat morgen naar de stad om vers voer te kopen.”
      “Aha,” sprak Vos bedachtzaam. “Juist. Zozo. Dat opent toch wel wat mogelijkheden, Sjaak. Maar hoe komen wij aan die witte jassen?

De volgende ochtend hielden Heer Vos en Sjaak Kraaij vanuit hun favorite heuveltop kippenboerderij klasse 2A van Boer M. Jansen in de gaten. Zij wachten met spanning op het tijdstip dat Boer Jansen zich naar de kippenvoer groothandel zou begeven om zijn legkippen klasse 2A van eerste klas organische maaltijden te voorzien.
      “Daar gaat-ie,” verklaarde Kraaij met enige opluchting. “Tijd om aan de slag te gaan.” En de keurig in het wit gestoken heren wandelden op hun gemak naar de kippenboerderij, een boodschappenkarretje achter zich aan trekkend. Bij het hek aangekomen belden zij aan. Achter het hek verscheen Baba Zwartschaap, het hulpje van Boer Jansen.
      “Wat motten jullie,” vroeg Baba onvriendelijk, want hij had het niet op uniformen.
      “Mijn naam is Vos,” verklaarde Vos, “Inspecteur Vos, wel te verstaan. En deze heer is mijn collega Kraaij. Wij zijn van de Inspectiedienst voor het Pluimvee. Hier zijn onze papieren,” zei Vos terwijl hij op achteloze wijze een blad vol stempels aan de ongeletterde Baba overhandigde.
      “In naam van De Koning,” las Baba met moeite, “gelast ik u onze geëerbiedigde Inspecteurs zonder enige beperking of hindernis geheel en al toegang te verschaffen tot uw kippenhouderij en alles wat daar op staat. Op straffe van kortsluiting. Getekend, Jan de Koning. Hoofd Dienst pluimveebevolking.”
      “De baas is er niet,” melde Baba, “dus dat moet maar even wachten.”
     “Hier wordt niet gewacht,” deelde Vos op bitse toon mede, “Wij zijn van het bijzondere inspectieteam dat juist op onverwachte momenten komt inspecteren en dit is zo’n onverwacht moment. Je hebt het bevel toch wel begrepen, niet?” En Heer Vos wapperde het rood gestempelde papier voor de verwarde Baba. “En bedenk wel dat wij niet alleen naar de kippen kijken maar ook naar de kwaliteit van het personeel en de medewerking die wij krijgen. Tijdrekken aan de poort aanvaarden wij niet. Tijd is geld. Opschieten dus. Anders sluiten we de tent. Dan komt niemand er in en gaat niemand er uit, jij ook niet.”
      “Als daar maar geen gedonder met Boer Jansen van komt,” mompelde Baba somber terwijl hij met tegenzin het hek opende.
      “Maak je geen zorgen,” uitte Kraaij op luchtige toon, “het enige wat je hoeft te doen is meewerken. En zo op het oog ziet het er hier best netjes uit. Inspecteur Vos ruikt u iets waar een luchtje aan zit?”
      “Eerlijk gezegd,” antwoorde Vos, “het ruikt hier best lekker. Laten we eerst maar eens een kijkje bij de kippenrennen nemen,” en begaf zich opgewekt naar de kippenleefruimten. Kraaij liep op zijn gemak achter Baba en Vos aan, het handige boodschappenkarretje op wieltjes achter zich aan trekkend.  
      “Leg maar eens uit hoe het hier in elkaar zit,” zei Vos op uitnodigende toon.
      “Nou, eh,” begon Baba, “hier aan deze kant zitten de aankomende hennen. Elke twee maanden begint Boer Jansen aan een nieuwe toom kuikens. Daar hebben we drie hokken voor.”
      De Inspecteurs bekeken de gebouwen en hun inhoud met oprechte belangstelling. “Een zeer goede opstelling,” beaamde Vos, “een mooi voorbeeld van doorlopende vernieuwing. Wij zullen onder de oudere kuikens wat steekproeven nemen. Baba,” wees Vos Baba aan, “Uit hok 2 die daar in het hoekje en dan uit hok 3 die dikkerd daar. Kraaij schrijf je dat even op in het rapportageformulier? Goed zo. Juist Baba, doe ze hier maar in,” sprak Vos geruststellend terwijl hij het boodschappenkarretje opende voor de piepende opgroeiende kippen.
      “En nu op weg naar de echte hennen,” sprak Vos welgemoed. “Laten we eens kijken hoe het daarmee staat.”
      De hokken met vrije uitloop van de leggers bevonden zich aan de andere kant van het erf en ook hier werd Vos getroffen door de fraaie opzet en inrichting van de legboerderij.
      “Het is bijna niet te bevatten,” mompelde Vos voor zich uit, “één mens met zoveel kippen.”
      “Daarom zijn wij dan ook hier,” verklaarde Kraaij op waarschuwende toon. Niet ten onrechte vreesde hij dat de in vervoering gerakende Heer Vos iets totaal ontoepasselijks zou zeggen en daarmee de argwaan van Baba zou opwekken.
      “Juist Baba, laten we maar verder gaan met de steekproeven. Ik zou zeggen haal er maar eentje uit de hokken 5, 7 en 10. Die kunnen er makkelijk bij.”
De grote kippen kakelden behoorlijk toen zij uit hun hokken gelicht werden. Uit voorzorg hielde de Inspecteurs enige afstand want zo dom zijn kippen nu ook weer niet wanneer het op het herkennen van hun natuurlijke vijanden aankomt.
      “En wat gaan jullie met die kippen doen,” vroeg Baba beklemd toen hij de nieuwkomers in het karretje stopte. “Boer Jansen vindt het vast niet leuk wanneer er kippen weggehaald worden voor de koning.”
      “Op last van De Koning,” verbeterde Sjaak. “Maak je geen zorgen, wij tekenen voor die kippen op het formulier van De Koning. Die kippen gaan mee voor nader onderzoek. Op kippenziektes. Dat kunnen we hier niet uitvoeren. Boer Jansen ontvangt binnen een paar dagen een rapport van ons. Maar je kan hem alvast meedelen dat wij onder de indruk zijn van de manier waarop zijn bedrijf opgezet is. Als die steekproefkippen nu ook nog gezond blijken te zijn dan is alles in orde.”
      “Zeker,” beaamde Vos, zich richting uitgang begevend. “Het is een smakelijk etablissement waar we vaker hopen te komen. En jij, Baba, hebt ons goed ten dienste gestaan. Onze complimenten. Wij zullen dat in ons rapport vermelden. Sjaak mag ik dat formulier even, dat van De Koning. Dan teken ik dat af. Goed zo,” besloot Heer Vos, “Heer Baba, jij kan dit document bewaren en vergeet niet om het aan je baas te geven wanneer hij terugkomt. Het is nu tijd voor ons om met deze hennen aan de slag te gaan en dan hoort Boer Jansen het wel. Goedemorgen! En tot ziens.”
      En daar toog ons gezelschap op weg, bij het hek links af de asfaltweg volgend tot aan het zandpad aan de rechterkant dat naar de Bovendoornsche heuveltop leidde en de daar achter gelegen bossen. Vos keek met welgevallen naar het bord aan het begin van het pad. Er stond op:

Bovendoornsche Bossen.
Beschermd natuurgebied.
Niets plukken of beschadigen.
Laat de dieren met rust.
Houd uw hond strikt aan de lijn.
Overtredingen worden streng gestraft.

      “No home like home,” bevestigde Heer Vos tevreden. “Toch wel een heel gedoe, dat gesleep met dat karretje” vervolgde Heer Vos die het karretje moeizaam voorttrok over het hobbelige, steigende zandpad, “maar wel zeer de moeite waard.”
      Bovenop de heuvel stelde Vos een korte rustpauze voor. “Dat gezeul met dat karretje is best uitputtend,” merkte Vos op, “en hier kunnen we op ons gemak het menu bespreken met uitzicht op de voormalige huisvesting van onze hoofdschotel. Ik zelf ben erg voor geroosterde kip. Zo langzaam gaar stoven op een laag, geurig hout vuurtje, dat kan niet beter.....”
      Uit het karretje klonk gesmoord gekakel.
      “Maak je niet druk,” voegde Vos de kippen toe, “aan alles komt een einde. Of hadden jullie zelf een beter voorstel?”
      “Daar komt Boer Jansen aangereden,” merkte Kraaij attent op. “Kijk, Baba doet het hek open om de pickup met voer binnen te laten.”
      “Heel geschikt van Boer Jansen,” gaf Heer Vos te kennen, “dat voeren van ons avondmaal. En ook leuk voor de kippen, al dat goede eten in zo’n prettige omgeving!”
      Dit maal klonk het gekakel uit het karretje een stuk minder gesmoord.
      “Jullie zouden blij moeten zijn dat Kraaij en ik van kippen houden,” hield Heer Vos de kippen voor, “en bovendien is het goed voor jullie om te leren dat niet elk beest in zo’n welvaartsstaat als die van jullie leven. Menigeen moet zijn eigen maaltijd bij elkaar sprokkelen, zoals wij bij voorbeeld, en jullie zien nu zelf hoeveel werk dat met zich mee brengt........”
      Er viel een drukkende stilte. Maar niet voor lang. Vanaf de weg klonk verwoed geblaf en als een vos verwoed geblaf hoort gaat de rode alarm knop aan.
      “Wat gebeurt daar?” vroeg Heer Vos achterdochtig.
      Kraaij fladderde op om een beter zicht op de omgeving te hebben – en kon meteen zien wat er aan de hand was.
      “De honden staan bij het hek van de boerderij en Boer Jansen laat ze iets ruiken. Een papier met rode stempels,” lichtte Kraaij Vos in.
      “Ojee, dat is het Bevel van De Koning,” begreep Vos, “Kraaij we moeten er vandoor. Boer Jansen zet Bullie Dozer en Bef Spijker op ons spoor. Wegwezen!”
Ons tweetal begaf zich ijlings dieper de Bovendoornsche Bossen in doch werden in hun vluchtpoging belemmerd door het boodschappenkarretje met inhoud dat zij achter zich aanzeulden. De kippen in dat karretje maakten nu een hels lawaai. Thea, assistent legleidster uit hok 6, kukelde luidkeels: “Zusters, het is nu of nooit, het is er op of er onder, kukel wat je kan anders valt er niets meer te kukelen!” Ook de kippen hadden het hondengeblaf gehoord en herkend.
      “Als Bullie Dozer deze onverlaten te pakken krijgt zul je eens wat meemaken!” kukelde zij vol overtuiging. “Maar het moet wel snel,” voegde zij er wat minder zeker aan toe.
      “Is het nog ver, die burcht van je?” vroeg Kraaij op indringende wijze. “Of heb je iets dat dichterbij is waar je je kan verstoppen, liefst met buit natuurlijk.”
      Vos kreunde. De wereld deugt niet, besefte hij. Middels een meesterlijk plan krijg je je lievelingsmaal in het boodschappenkarretje en dan komen die afschuwelijke honden de pret verstoren!
      “Ik was van plan naar de oude boshut te gaan. Zoals je weet is het daar goed koken. Je hebt een dak boven je hoofd en we kunnen die kippen daar ook wel een tijdje vasthouden. Maar dat redden we niet.”
       
      De afschuwelijke honden waren inmiddels een stuk dichterbij gekomen. En  achter de honden liepen Baba en Boer Jansen puffend de heuvel op. “Kijk daar is het spoor van het karretje,” zei Boer Jansen, “daar zitten mijn kippen in. Natuurlijk zit die Vos daarachter. En jij, Zwartschaap, bent een uilskuiken. Toegang op last van De Koning, Hoofd der Veterinaire Inspectie afdeling Pluimvee. En dan die stempels. Gewoon gemaakt door met rood kleurpotlood te krassen op een papier met een muntstuk met de afbeelding van onze majesteit de Koning er onder.”
      De honden waren inmiddels uit zicht verdwenen. Boer Jansen en Baba sjokten achter het spoor aan. In de verte klonk zwak het hondegeblaf en toen werd het merkwaardig stil.
      Die stilte werd veroorzaakt door wat zich in het brein van Vos had afgespeeld. Heer Vos was tot het ontluisterende inzicht gekomen dat de situatie onhoudbaar geworden was en dat hij afstand zou moeten doen van de kippen die hem zo dierbaar waren. De zaak was nu om zonder kleerscheuren met behoud van lijf en ledematen van het gevogelte af tekomen. Tot verbijstering van Sjaak stopte Heer Vos plotsklaps zijn gehaaste aftocht en draaide zich om teneinde de aanstormende honden recht in de ogen te kijken. Terwijl de tierende honden zich klaar maakten voor een verscheurende sprong en Sjaak vanuit veilige hoogte vanuit een boom de ontwikkelingen gadesloeg spelde Heer Vos een blazoen op zijn witte inspecteursjas.
      “Heren,” sprak Heer Vos de honden streng toe, “beseft u wel dat u zich in beschermd natuurgebied bevindt waar de dieren die daar leven met rust gelaten moeten worden? En dat overtredingen streng gestraft worden? Ik ben zo’n beschermd dier. En niet alleen dat, ik ben ook assistent boswachter klasse 4b. 4b van vierbenig,” voegde Vos er aan toe, op het blazoen tikkend. “Wij staan onder toezicht van klasse 2b. 2b van tweebenig. De mens dus, die is de boswachtmeester. Onze boswachtmeester zal jullie wel weten te vinden als jullie ook maar een poot naar mij uitsteken. Boswachtmeester Hendrikus Groen zal bovendien jullie 2b’er Boer Met Jansen aanspreken over zijn gebrek aan eerbied voor beschermd natuurgebied, nalatigheid in het handhaven van het met rust laten van de dieren die leven in de Bovendoornsche Bossen en het niet aan de lijn houden van zijn honden. Dat gaat hem een stevige duit kosten. Jullie honden zullen, als je geluk hebt, in het asiel voor werkloze honden belanden.”
      Lezer, het moet gezegd worden dat hoewel Bullie Dozer en Bef Spijker ijzersterke honden zijn, deze waakzame beesten niet begiftigd zijn met een buitengewoon goed stel hersens. Bullie keek Vos met troebele ogen aan. “O ja,” sprak hij duister, “en wat ga jij er aan doen als ik je in een keer uit je vossenlijden verlos met een goede knauw in je nek?”
      Heer Vos, ondanks zijn bravoure, huiverde. “Beste Bullie,” antwoorde Vos op vriendelijke en verklarende wijze, “zie je dat zwarte ding daar in die boom? Begrijp je dat dat ding kan vliegen met reisbestemming boswachtmeester klasse 2b, toevallig ook de buurman van jouw Boer Jansen? En dat deze Boswachtmeester je vervolgens zal opwachten bij het hek en voordat je het weet zit jij opgesloten wegens moord op een bescherm dier.”
      “En die kippen dan,” kwam Bolle Bullie terug, “die heb je gewoon gestolen. Je ben een oplichter. Die kippen zijn geen beschermd natuurgebied.”
      “Precies,” zei Vos, “dat is nu juist zo leuk aan ze.”
      “Die kippen zijn van Boer Jansen,” verklaarde Bullie, “en daar gaan ze weer naar toe, met of zonder boswachter klasse 2b.”
      Voor het eerst klonk er nu vrolijk en bemoedigend gekukel uit het boodschappenkarretje.
      “Misschien zijn ze nu wel een eitje aan het leggen,” sprak Vos hoopvol. “Ik begin best honger te krijgen.”
       In de verte klonk geroep. “Bullie, Bullie! Spijker, Spijker!”
      “Het is in jullie belang en dat van jullie werkgever om er nu als hazen van door te gaan,” drong Vos met klem aan. “Deze verstoring van de natuur heeft nu wel lang genoeg geduurd.”
      “Malle Eppie,” blafte Bullie, die hoewel niet echt slim ook niet echt dom was. “Wij stappen op, maar met medeneming van dat karretje met inhoud. Spijker, trekken maar!”
      “Afblijven!” kefte Vos, “dat is mijn karretje! Dieven!”
      Bolle Bullie en Spijker lieten een hondengehuil horen dat er niet om loog en begonnen met het karretje aan de terugweg.
      “De honden hebben Vos te pakken, Baba,” gaf Boer Jansen te kennen. “Er op af!”
      “Best zwaar, dat karretje trekken,” liet Bullie weten.
      “Het zou dan ook veel beter zijn als je er eentje uithaalde,” bedacht Vos, “dat scheelt best in de moeite.”
      “Komt niets van in,” deelde Bullie vast besloten mee. “Maak nu maar dat je weg komt voordat Boer Jansen je ziet want dan zijn de poppen pas echt aan het dansen!”

En zo ging het ook. Heer Vos verwijderde zich om op veilige afstand de loop der gebeurtenissen gade te slaan. Hij zag de honden voortploeteren richting heuveltop. Halverwege ontmoette Boer Jansen het honden- en kippengezelschap.
      “Goed gedaan jongens,” prees Boer Jansen de waakhonden, ”Jullie hebben wel een extra bot verdiend. Jammer dat jullie die vos niet te pakken hebben kunnen nemen. Maar dit is wel een best leuk karretje.”
      Die mening werd echter niet gedeeld door de inhoud van het karretje. De kippen keerden flink geschokt terug in hun hokken en de leggers waren behoorlijk van de leg af. Merkwaardigerwijze klopte Boswachter 2b Hendrikus Groen die avond inderdaad bij Boer Jansen aan. “Het is maar goed dat wij buren zijn,” verklaarde Hendrikus aan de deur, “want ik moet je toch onder ons er op wijzen dat honden alleen aangelijnd het bos in mogen. Ook al is die Vos er met je kippen vandoor. Uiteindelijk zijn er in dit land nog maar een paar wilde vossen over en staat het bol van de legkippen.”
      “Er is ook zoiets als mijn en dijn,” weerlegde Boer Jansen, “er daar hebben die vossen geen oog voor. Je denkt toch niet dat ik zo’n vos ongestraft met mijn kippen er van door laat gaan!”
      “Boer Jansen, als jouw honden hier in het bos ongelijnd rondrennen dan is het verschil tussen mijn en dijn ook zoek. Want die honden gaan achter van alles aan, zoals konijnen, hazen of fazanten; allemaal dieren die geen kippen roven. Dus als je een probleem met vos in het bos hebt, kom dan eerst naar mij dan kunnen we het probleem gezamelijk volgens de regels oplossen.”
      Het was jammer voor Heer Vos dat deze beschermende uitspraken hem ontgingen. Vos kon best wel wat opbeurende woorden gebruiken. Nadat de honden uitbundig blaffend met het karretje vertokken waren sleepten en fladderden Vos en Kraaij zich moeizaam naar de oude boschhut. Daar lag nog net een pakje kippensoep in de kast met noodransoenen dat ons gezelschap tot avondmaal diende.
      “Vullen doet het niet echt,” gaf Vos te kennen, “en het is niet meer dan een voorproefje voor een hoofdmaaltijd die er niet is. Wat denk je Kraaij,” vervolgde Heer Vos, “zouden ze in Barneveld ook vossen aannemen?” (Barneveld, dierbare lezers, is het Mecca voor de kippenkenners. Daar bevindt zich de Hogeschool voor de Kippenkunde!).
      “Ik moet het daar toch eens met boswachter Hendrikus Groen over hebben. Misschien dat hij wel een goed woordje voor me wil doen! Hendrikus zal het vast waarderen wanneer een vos zoals ik tot de hoger opgeleiden wil behoren,” besloot Heer Vos, “en hij op deze manier kan bijdragen aan het einde van de vossendiscriminatie. Of is het misschien handiger om de Vereniging van Vrienden van het Gevogelde Dier op te richten?”

      Zoals jullie zien, beste lezers, had het karige avondmaal Heer Vos tot nadenken gestemd. Nu is het tijd voor een goede nachtrust en dan zien we morgen wel weer verder!! 

19 september 2012

2.3 Per Spoor naar Krakow


Met Vos en Kraaij Oostwaards: Aflevering 3. De heren begeven zich als verstekelingen oostwaards in de nachtgoederentrein. Tot hun aangename verrassing treffen zij in een openstaande wagon Sjonnie de Mol aan. Deze ingenieur tunnelbouw is op weg naar Krakow waar de Olympische Spelen voor Dieren zullen plaatsvinden. Sjon haalt Vos en Kraaij over om mee te doen.......


Nadat Heer Vos en Gerrit Kraaij goed gemutsts de stationrestauratie van het station Arnheim verlaten hadden gingen zij op zoek naar de nachtgoederentrein richting het Oosten. Kraaij kende het station uit een vroeger, zwervend bestaan. De maten hadden derhalve weinig moeite met het vinden van het goederentrein remplacement. “Er hangen van die klapbordjes aan de wagons,” informeerde Kraaij Heer Vos, “en daarop staat waar de trein naar toegaat.”
      Omzichtig en voorzichtig om geen aandacht te trekken van wakende spoorwegbeambten liep het reisgezelschap langs de rijen treinen. Osnabrück, lazen zij. Roma. En toen:

Bestemming: Station Krakow.
Land: Polen / Polska.
Vertrektijd: 01.00 uur Vandaag.
Lading: 1 Koe met begeleiding. 

      “Deze gaat naar het Oosten,” fluisterde Kraaij opgewekt. “En kijk daar eens, de deur staat open!”
      De heren stapten kwiek naar binnen. Tot hun aangename verassing troffen zij op de vloer een laag stro aan. “Lekker warm en zacht,” becommentarieerde Heer Vos. “Die spoorwegen zorgen toch wel goed voor ons.” En vleidde zich neer om van een welverdiende rust te genieten.
      “Ik voel iets,” zei Heer Vos, “Er beweegt iets onder me.” De reizigers hoorden een piepende stem: “Waar komt dat drukkende gevoel vandaan? Als of er iets op me ligt! Ben jij dat Nellie?”
      En daar verscheen een beest uit het hooi. Kraaij en Vos zagen een klein hoofd met grote zonnebril en sportief hoedje rond zich turen. “Herken jij die stem?” vroeg Kraaij. “Ben jij dat Sjonnie?”

Plaatje 1. Een onverwachte ontmoeting.
      “Dat klinkt als Gerrit,” kwam het antwoord. “Dan zal die ongevoelige Vos wel op me gelegen hebben. Wat doen jullie hier?”
      “Wij zijn op weg naar het Oosten,” verklaarde Vos, “want het is daar beter. Het daagt daar, als je begrijpt wat ik bedoel.”
      “Ik ben op weg naar de Dieren Olympiade,” liet Sjonnie met enige trots weten. “Die begint over twee dagen, in Krakow. Ook wel Krakau genaamd, in het nederlands dan. Ik doe mee aan de onderdelen blindschieten en tunnelen. Tunnelen,” verklaarde ingenieur S. de Mol, “is alleen voor mollen. Blindschieten is voor iedereen met beperkt gezichtvermogen.”
      “Doen er ook kippen mee?” vroeg Vos met een uitgestreken gezicht.
      Sjon keek Vos achterdochtig aan. “Zoals je weet is de Dieren Olympiade een tijd van, en een gelegenheid voor, algemene dierenverbroedering. Het is een tijd waarin de dieren elkaar leren kennen zonder culinaire drijfveren. Het is dan ook een strikt vegetarische wedstrijd.”
      “Het is dus niet de bedoeling,” merkte Kraaij praktisch op, “dat de deelnemers elkaar op eten gedurende de Spelen.”
      “Inderdaad,” bevestigde Sjonnie, “zo zit dat, en daar wordt strikt de hand aangehouden. Overtreders worden streng gestraft.”
      “En wie is die Nellie,” wilde Vos weten.
      “Nellie Koe,” deelde Sjonnie mede. “Zij zou ook meedoen. In het onderdeel melkgifte. Ook heel handig voor onderweg. Altijd wat te drinken, met zo’n fraaie friezin in de bak.”
      “Klinkt goed,” gaf Vos te kennen, die ook wel een slokje lustte. “Ik denk, Gerrit, dat wij ook maar eens een kijkje in Krakow moesten nemen.
      “Je kan je zelfs ter plekke inschrijven,” vertelde Sjon. “Het zijn zogenaamde open spelen. Niks geen gedoe met commissies of committees. Zolang je maar goed bent in één van de onderdelen en de minimum standard haalt. Zo is er het nummer schoonspringen uit de boom. Echt iets voor jou Kraaij! Je laat je vallen, doet onderweg wat fraaie toeren zoals de enkele of dubbele salto, al dan niet met gedraaide hoek, en op het laatste moment spreid je je vleugels om alsnog zacht te landen. Niks voor een mol natuurlijk,” voegde Sjon er aan toe. “Oja,” bedacht Ir de Mol, “Vos kan natuurlijk heel goed meedoen in de afdeling staart trekken. Dat is een reuze spannend onderdeel waarbij de staarten van twee dieren met een touw aan elkaar gebonden worden, en dan gaat het erom welk dier de ander over de streep kan trekken.” Vos keek zuur want aan staart trekken had hij geen goede herinnering. (Terzijde: beste lezer, lees hier meer over in het verhaal Heer Vos Gaat Ondergronds, te vinden in deel 1).
      Buiten klonk gefluit en de trein maakte wat schokkende bewegingen. “Het ziet er naar uit dat we Nellie wel kunnen vergeten, Zei Sjon spijtig, “ Dat is wel jammer want deze wagon was eigenlijk voor haar. Zij staat internationaal bekend om haar fenomenale melk afgifte!”
      Vos glimlachte. “Het zit ons mee,” merkte hij op, terwijl de trein zich in beweging zette. “Is het niet zo, geachte Gerrit en ingenieur de Mol, dat wij in feite de verzorgers zijn van olympisch kandidate Nellie, die echter nog niet in de wagon geklommen is. Maar wat niet is, kan nog komen nietwaar?”
      “Ik dacht niet dat jullie bij de verzorgersequippe behoorden,” besloot Sjon terwijl de trein op gang aan het komen was, “maar nu jullie hier toch zijn kunnen jullie net zo goed blijven zitten. Ik kan zelf ook wel enige begeleiding gebruiken,” voegde Sjon er aan toe. “Met Nellie kon ik toch wel wat beter uit de poten.”

Wordt vervolgd..........


© Zamfactor Ltd. 2013. Alle rechten voorbehouden.

26 augustus 2012

2.2 Ondeugd in de Stationsrestauratie


Oostwaards met Vos en Kraaij: afl. 2. Waarin louche taferelen uit de stationsrestauratie te Arnheim. Deze aflevering bevat wat in goed nederlands adult content heet. 18 + dus. Kinders, laat je ouders het volgende verhaal niet niet onder ogen komen! Het kan ze op verkeerde ideeën brengen!


Lezers, gegroet! In de voorgaande aflevering zagen we onze antagonisten naar het oosten vertrekken om een nieuw leven te beginnen. De eerste stap was per bus naar het station te Arnheim om vandaar met de nachtgoederentrein verder te reizen. In de bus ontdekt een vriendelijke dame dat de als hond vermomde Heer Vos niet over een halsband en penning beschikt. Zij besluit Heer Vos mee te nemen naar het Opvang Centrum voor Dakloze Honden....... 

Fig. 1. Vos in de bus met de Vriendelijke Dame terwijl Sjaak een oogje in het zeil houdt.

Heer Vos blikte door het raam van de bus en zag tot zijn opluchting dat het openbare vervoermiddel inmiddels Arnheim binnen gereden was. 
      “Nog twee haltes, mijn hondje,” sprak de vriendelijke dame, “en dan zijn we er. Vandaar is het maar een minuutje lopen naar mijn huis. Je zal het daar reuze leuk vinden. Daar is nog een hond, een echte duitse herder. Een grote goede waakhond. Nee, je hoeft nergens bang voor te zijn.”
    Op dat moment werd er op het raam getikt. Heer Vos zag het hoofd van Kraaij die ondersteboven met zijn snavel tegen het raam tikte.  Vos seinde met zijn poot dat hij naar buiten zou stappen. En inderdaad, bij de volgende halte glipte hij razend snel na de laatste uitstappende passagier naar buiten. Zowel de busconducteur als de vriendelijke dame hadden het nakijken.
      “Zielig toch,” zuchtte de dame, “Altijd maar op de vlucht moeten zijn, omdat je geen hondenpenning hebt......Tja, dan heeft mijn Bello het wel een stuk makkelijker!”
      “Mevrouw,” deed de conducteur zich melden, “dat mag dan wel zo wezen maar ondertussen betalen die clandestiene honden mooi geen belasting. Uiteindelijk hangen ze hier rond op onze kosten. En stelen doen zij ook nog.”
      “Geen wonder,” antwoordde de dame, “zonder hondenpenning kunnen ze nergens aan de bak komen. En als ze dan het geluk hebben om in een Opvang Centrum voor Daklozen terecht te komen, dan is het ook maar voor twee weken. Ik hoef u niet te vertellen wat er daarna met ze gebeurt, wel?" 

Op weg naar het station deed Vos verhaal van zijn wedervaren in de bus. “Het is toch wel een voorrecht om gevleugeld te zijn,” verklaarde Kraaij, “niks geen penningen en halsbanden om je nek.”
      “Ik heb honger gekregen, van al die besognes” merkte Vos op, terwijl het stationsgebouw in het zicht kwam. “Laten we eens kijken wat de stationsrestauratie te bieden heeft. En het is toch te vroeg voor de nachttrein.”
      De stationsrestauratie was een wat groezelig lokaal waar zwervers en dronkaards zich vaak ophielden. De restaurateur had, om reizigers en niet-reizigers te onderhouden, een grootbeeld televisie in de ruimte geplaatst; keurig in een metalen raamwerk ter voorkoming van diefstal. Heer Vos had moeite om de aandacht van de ober te trekken want ook deze was geheel en al verdiept in wat het scherm te bieden had. 
     “Ober!” kefte Heer Vos op luide toon, “Twee maal kippensoep met drum sticks en patat!”
      De ober, ene Joep de Beer, keep Vos verstoord aan. “Vriend,” voegde Joep Heer Vos toe, “in deze ruimte wordt niet geschreeuwd. Hier houden we het beschaafd.” En slofte naar de micro-wave om de gevraagde etenswaren op te warmen.
      Nu pas konden Heer Vos en Kraaij zich neerzetten om, met het opgewarme voedsel voor zich, te samen met de andere bezoekers naar Het Scherm te kijken. Tot hun niet geringe verbazing zagen ze een half blote dame vanuit het scherm lonken die zei: “Paps, wil je ook eens ondeugend zijn? Maak dan een afspraak met een dame die daar ook zin in heeft! Daar zijn er velen van, ook bij u in de buurt. NetSex is u gaarne van dienst met de volgende telefoonnummers. Ook speciale diensten voor gehandicapten en bejaarden! Bel NetSex voor nette sex. U zult er geen spijt van hebben!” besloot de half blote dame de buisreclame.
      “Zo te horen hebben ze niets voor dieren,” sprak Kraaij teleurgesteld.
      “Dat komt nog wel,” stelde Vos Kraaij gerust.
      “Wil jij niet eens ondeugend zijn, Vos?” vroeg Kraaij.
      “Ik ben altijd al ondeugend, dus wat is het verschil?” gaf Vos te kennen. “Trouwens, ik ken die hele dame niet. Waarom denk je dat zij van boven geen kleren aan heeft?”
      “Misschien is zij ondeugend aan het doen,” opperde Kraaij. “Zij lijkt wel wat op de vrouw van Boer Met Jansen.”
      “Nu zal je het hebben,” riep Vos getroffen uit. “Denk je dat Met (van Methusalem; de voornaam van Boer Jansen) weet dat zijn ega op de teevee half naakt naar mannen zit te lonken? Heerlijk soepje trouwens, en die drumsticks mogen er ook zijn. Kraaij, neem jij mijn patat maar, ik houd het liever bij kip.”
      Een aangeschoten zwerver was geraakt door de verleidelijke reclame en begon luidkeels te zingen: “Ik wil zo graag ondeugend zijn, maar ik heb jouw nummer niet.”
      Joep de Beer greep attent in. “Bek dicht, dakloze, anders flikker ik je de tent uit. Dit is een beschaafde stationsrestauratie zonder kapsones. Begrepen?”
      Heer Vos en Sjaak maakte van de gelegenheid gebruik om er stilletjes tussen uit te knijpen. “Die botjes kunnen ook wel mee, Kraaij,” raadde heer Vos aan, “je weet nooit hoe lang het duurt voordat we weer een goede maaltijd kunnen genieten. Laat de rekening maar op tafel liggen. Misschien dat iemand anders daar nog iets aan heeft. En nu op weg naar de trein!”

Wordt vervolgd....


© Zamfactor Ltd. 2013. Alle rechten voorbehouden.

18 augustus 2012

2.1 Op Weg naar het Oosten


Heer Vos en Sjaak Kraaij zoeken het Oostwaards: Aflevering 1. Heer Vos wil een nieuw leven oostwaards beginnen. De eerste stap die kant uit is per bus naar het station te Arnheim. Heer Vos glipt als keeshond vermomd het voertuig binnen. Zijn maat Sjaak Kraaij legt de route in zijn natuurlijke plunje op het dak van de bus af. Door toedoen van een vriendelijk dame in de bus dreigt Heer Vos in het Opvang Centrum voor Dakloze Honden terecht te komen......


Heer Vos staarde droefgeestig het hem zo vertrouwde vergezicht in vanaf de top van de Bovendoornsche Heuvel. 
      “Mijn leven is mislukt,” vertrouwde hij zijn maat Sjaak Kraaij toe, “in al die jaren ben ik er niet in geslaagd om ook maar één kip uit boer Jansen’s kippenparadijs te verschalken. Ik heb het ondergronds geprobeerd, vanuit de lucht en zelfs met bruut geweld door het hek heen. Het is allemaal misgelopen. Ik moet hier weg. Misschien dat het elders beter is. Mijn horizon vergroten. Verleggen. Een nieuwe uitdaging aangaan.”

       “Je wil toch niet zeggen dat je geen kippetje meer lust,” vroeg  Sjaak achterdochtig.

      “Niet meer, en niet minder,” antwoordde Vos gelaten. “Het zal me een worst wezen. De vraag is: Waarheen? Welke richting moet ik inslaan om mijn leven, ach hoe moet ik het zeggen.......”
      “Een nieuwe wending te geven?” probeerde Kraaij behulpzaam.
      “Zoiets, ja,” mompelde Heer Vos.
      “Voor zover ik de richtingen vanuit de lucht heb kunnen bekijken zit het zo,” begon Sjaak Kraaij uit te leggen, “als je naar boven gaat,”
      “Naar het noorden, bedoel je?” onderbrak Vos.
      “Naar het noorden,” beaamde Sjaak, “nou, als je dat lang genoeg doet dan kom je op de noordpool. Daar is alleen maar sneeuw en ijs en kou.”
      “En hoe zit het met de pinguins,” vroeg Vos hoopvol.
      “Die zitten aan de zuidpool, de andere kant uit.”
      “Dat zouden we dus kunnen proberen,” overwoog Vos.
    “De Zuidpool is héél ver weg,” gaf Sjaak te kennen. “En bovendien, voordat je op de zuidpool komt moet je eerst door de woestijn. De Sahara. Het is daar overdag bloedheet en er is geen water. Alleen woestijnvossen kunnen dat aan. Nederlandse vossen komen er nooit doorheen. Tenzij op een kameel onder begeleiding.”
      “Ik op een kameel,” zei Vos bedachtzaam. ”Ik weet niet of ik dat wel zie zitten. Lijkt meer op een Fata Morgana, als je begrijpt wat ik bedoel.” (Terzijde: Jongens en meisjes, een fata morgana is een moeilijk woord voor een optische illusie veroorzaakt door verticale warmteverschillen in aangrenzende luchtlagen).
      “Eerder een fatale morgana,” als je het mij vraagt,” beweerde Kraaij, die ook het vliegen in een dergelijke hitte niet zag zitten. “Dan ligt de zee in het westen,” vervolgde Kraaij. “Duizenden kilometers water. Dat is niks voor een Kraaij. Die zijn daar niet op gebouwd. Wij zinken, waar anderen drijven. Zoals de Albatros.”
      “Begrijpelijk," erkende Vos, ”en hoe zit het met de andere kant van het westen?
      “Oh, het oosten bedoel je?”
     “Uiteraard, het oosten. Het verre oosten, het midden-oosten, gewoon als het maar oost is......”
   “Dat is allemaal land. Duizenden en duizenden kilometers land. Duitsland, Rusland, Mongolie, China. Met van alles er boven en er onder.” Kraaij zweeg bij het voorstellen van deze immense landenmassa.
    “Mm,” mijmerde Vos, “het lijkt mij wel wat, die kant uit. Oostwaards. Het zijn wel afstanden niet?"
      “Het vervoer?“ vroeg Kraaij zich af. “Hoe moet dat nu? Zelfs voor een vliegende kraaij is het een heel fors eind. Voor een loopse vos is het niet te doen.”
      “Niet nodig, dat vliegen of lopen,” bedacht Heer Vos. “Wij gaan liften.”
      “Liften,” herhaalde Kraaij ongelovig, “Wie neemt ons nu mee? Een vliegende Kraaij en een Vos die zijn leven een nieuwe richting wil geven?”
     “Geen probleem,” beweerde Vos voldaan. Hij had ervaring in het liften. “Wij gaan per spoor naar het oosten. Wij nemen gewoon de goederentrein. Met name de nachtgoederentrein. In goederentreinen heb je geen kaartjes controle. Je moet je onderweg gewoon gedeist houden. Als je geluk hebt kom je in een trein terecht die etenswaren  vervoert. En als je pech hebt dan spring je er gewoon uit. Zo gaat dat.”

*   *   *

De heren besloten nog diezelfde nacht te vertrekken, per trein dus, en moesten zich derhalve in de namiddag naar het bijzijnde station begeven. Alvorens tot deze ingrijpende stap over tegaan moesten er belangrijke Voorbereidende Maatregelen genomen worden. Allereerst was het tijd voor een hartige hap. “Ik heb nog een pakje kippensoep,” deelde Kraaij mee, “dat kan nu wel op. Daarna zien we het wel.”
      Dan was het tijd voor geschikte kledij. “Het lijkt me handig als ik voor de gelegenheid mijn hondenpak aantrek,” besloot Vos. “Onze reis brengt ons onvermijdelijk in nauw contact met allerlei dieren. Ook dat tweebenige dier dat mens heet. En mensen houden niet van vossen, maar wel van honden.”
   Het hondenpak bestond uit een sportief jasje met bijbehorende pet dat vaak door keeshonden gedragen wordt. Het jasje had een vrolijk maar toch stemming ruitjespatroon. Vos trok het jasje aan, zette de bonte boerenpet op en, voila, hij was door deze simpele ingrepen niet van een echte keeshond te onderscheiden. Kraaij verklaarde eens te meer dat hij van nature goed in de veren gestoken was en derhalve geen aanvullende of verhullende attributen van node had. Vos gooide de ingangen van zijn vossehol dicht. Gesterkt door het smakelijke voedsel togen de heren nu goed gekleed en welgemoed op reis.

Heer Vos op Weg naar het Oosten
in het gebruikelijke plunje van de keeshond.


Het eerste doel was het station te Arnheim. Per bus. Vanuit Arnheim vertrekken dagelijks vele goederentreinen oostwaards. De Baarnsche Bossen, het domein waar Vos en Kraaij vertoefden, lag niet ver van Arnheim. Heer  Vos en Kraaij hadden talloze keren de bus richting Arnheim zien vertrekken van de halte tegenover de kippenboerderij klasse 2A van boer M. Jansen. 
     “Wij doen dat als volgt,” verklaarde Vos, “Jij gaat op het dak zitten en ik sluip naar binnen met de passagiers mee. Binnen verschuil ik me dan. Tot het eindpunt van de rit.”
     En zo deden ze dat. Heer Vos glipte in het halfduister verscholen tussen de instappende passagiers naar binnen. Hij plaatste zich braaf naast een dame waarvan hij vermoedde dat zij op honden gesteld was. “Braaf hondje,” sprak het vrouwtje dan ook toen Heer Vos haar met glanzende ogen aankeek en zijn bek op haar been liet rusten. Zij aaide de zwijmelende Vos over de nek – zijn hoofd en bovenlijf waren immers onder pet en jasje verborgen. “Ja,” sprak de hondenliefhebster tot zichzelf, “keeshonden zijn o zo slim. Bijna net zo slim als een vos.” 
      Heer Vos bracht een instemmend kefje ten gehore.
      “O jij verstaat wat ik zeg, niet?” vroeg de dame vriendelijk. “Waar is je baasje? Eigenlijk hoor je in de bus aan de lijn gehouden te worden.” En zij speurde naar een passagier met een hondelijn. “O jeetje, ik zie dat je ook geen halsband met penning hebt. Je bent toch niet toevallig een zwerfhond? Heeft je baas je ergens op een verlaten plek uit de auto gegooid? Of ben je weggelopen?”
      De loop van het gesprek beviel Heer Vos niet. Als hij ergens een henkel aan had dan was het wel een halsband, en aan de lijn gehouden honden waren een doelwit van spot van onze Vos. “Pak me dan, als je kan,” was een geliefd spelletje van deze vrijbuiter, maar dit was iets geheel anders.  
      Het vriendelijke vrouwtje wist van geen ophouden. “Misschien dat ik je dan toch maar mee naar huis moet nemen, al is het maar voor één nachtje. Dan breng ik je morgen gezellig naar het Opvang Centrum voor Dakloze Honden. In "De Mensenvriend" zorgen ze reuze goed voor weggelopen of verlaten beesten. De verzorgers gaan je met zeep wassen, ontsmetten je, spuiten de vlooien en teken er uit, geven injecties tegen Alle Honden Ziekten,  en je krijgt natuurlijk een goede hap biologisch verantwoord eten. En als dat allemaal gebeurd is dan ga je in een grote kooi met je soort- en lotgenoten. Dan heb je ook nog passend gezelschap.”
    Dit scenario beviel Heer Vos allerminst. “Hoe kan een vriendelijk iemand toch zo wreed zijn?” vroeg hij zich af.
    (Terzijde: Vossen en honden hebben een moeilijke verstandhouding. Aan de ene kant zijn ze aan elkaar verwant en beiden houden er van om achter de konijnen aan te zitten. Soms kunnen zij elkaar niet uitstaan. Vossen hebben honden nooit hun deelname in de vossenjacht vergeven!).

Zal Vos in het Honden Opvang Centrum “De Mensenvriend” belanden of zijn reis zoals voorzien kunnen voortzetten? Daarover meer in de volgende aflevering!



© Zamfactor Ltd. 2013. Alle rechten voorbehouden.