12 oktober 2013

7. Mijn Naam is Vos, Inspecteur Vos.

versie 12.10.2013

Belevenissen met Sjaak Kraaij en Heer Vos. Aflevering 7: Heer Vos en Sjaak Kraaij bezoeken vermomd als Inspecteurs van de Pluiveedienst het kippenparadijs van Boer  Jansen. Zij vertrekken met een boodschappenkarretje vol met hennen.... voor nader onderzoek.

Het mislukte avontuur met Rosie zat Heer Vos in het geheel niet lekker. Vanuit de boerderij van Boer M. Jansen klonk een enorm lach-gekakel toen Rosie in geuren en kleuren haar ontsnapping en terugkeer uit de doeken deed. Vooral het deel waarin Rosie vertelde dat Heer Vos tegen de afrastering aanknalde terwijl zij al net binnen was werkte onbedaarlijk op de lachspieren van de kippen. Ze kukelden zich ondersteboven van het lachen.
  “Mooi zo,” zei boer Jansen (Met voor vrienden) die het levendige bedrijf in de kippenleefruimtes met welgevallen bekeek.
      “Rosie hier heen halen was een uitstekend idee, ook al zeg ik het zelf. Het begint te werken. Zie die kipkes eens lachen, niet? En’t is ook nog een leuk ding om naar te kijken,  zo’n fris varkentje.”
      Mistroostig zat Heer Vos dit allemaal aan te zien. Hij vroeg zijn maat Sjaak Kraaij niet om naar de majesteitelijke wilde kastanjeboom in de hoek van het erf van de boerderij te vliegen om vanuit die uitkeekpost de gebeurtenissen waar tenemen  om  vervolgens verslag uit te brengen van wat daar allemaal gezegd werd. Erger nog: Hij wilde niet weten wat er allemaal gezegd werd. Al die vrolijkheid zei hem genoeg.
      “Heer Vos,” merkte Sjaak op, “Het lijkt erop alsof die Rosie u edelachtbare aan het nadoen is.”
      En inderdaad, daar leek het niet alleen op, dat was nu net wat zij aan het doen was.
    “Het moet anders èn beter Sjaak,” sprak Vos verbeten. Wij vossen staan bekend om onze slimheid, varkens om hun domheid en kippen om hun kippigheid. Jullie vliegende kraaien vangen altijd wat. Maar mijn slimheid en jouw gevlieg leveren ons geen kippen of varkentjes op.”
Op dat moment kwam een bestelbusje voorrijden bij kippenboerderij klasse 2A van Boer Methusalem Jansen. Op de zijkant stond:

Ministerie van Landbouw
Inspectiedienst voor Pluimvee

Twee in hagelwitte uniformen gestoken beambten stapten uit. Zij liepen zonder enige aandacht te schenken aan Baba Zwartschaap en zijn assistent Bolle Bullie (ook wel Bullie Dozer geheten) het erf op naar de ingang van de boerderij.
      “Er op af Sjaak! Hier moeten we meer over weten,” beval Heer Vos. En Sjaak fladderde naar zijn vertrouwde uitkijkpost in de wilde kastanje boom. Hij luisterde de beambten af die op het kippenerf in gesprek waren met Boer Jansen.
      “Zoals u weet,” spraken de ambtenaren vormelijk, “zijn wij gehouden om zo nu en dan te controleren of u zich wel aan de regels houdt op grond waarvan uw kippenboerderij de beoordeling 2A verkregen heeft. Omdat wij u al zo lang kennen hebben we er alle vertrouwen in dat bij u alles in orde is.”
      “Heren, komt u toch binnen,” sprak Met uitnodigend, “komt u gerust efkens naar de kipkes kieken, en dan heeft u misschien nog tiet voor’n lekker bakske koffie met koek en ’n borrel.”
      “Jansen, ’t is maar dat je het weet,” deelden de ambtenaren hem vertrouwelijk mede, “maar de inspectie is veranderd. De minister heeft een onafhankelijk steekproeventeam ingesteld, die naast de geregelde inspectie die wij uitvoeren op onverwachte tijden en plaatsen komt onderzoeken. De minister is van mening dat de gewone inspecties soms wat te soepel verlopen, en, eh, aangetrokken moeten worden door inspecteurs van buiten.”
      “Oho,” reageerde Jansen bedachtzaam. Hij wist heel goed dat bevriende ambtenaren af en toe wel eens een oogje dicht deden bij een kleine overtreding. Zo zaten er wel eens meer kippen in het hok dan toegestaan was. “Da’s goed dat jullie me dat koo’m vertellen jongens, ik zal daar rekening met houden.”
      Sjaak rapporteerde aan Vos. “Er is een nieuwe inspectiedienst die onverwacht streng komt controleren of boer Jansen wel aan alle eisen voldoet. En boer Jansen gaat morgen naar de stad om vers voer te kopen.”
      “Aha,” sprak Vos bedachtzaam. “Juist. Zozo. Dat opent toch wel wat mogelijkheden, Sjaak. Maar hoe komen wij aan die witte jassen?

De volgende ochtend hielden Heer Vos en Sjaak Kraaij vanuit hun favorite heuveltop kippenboerderij klasse 2A van Boer M. Jansen in de gaten. Zij wachten met spanning op het tijdstip dat Boer Jansen zich naar de kippenvoer groothandel zou begeven om zijn legkippen klasse 2A van eerste klas organische maaltijden te voorzien.
      “Daar gaat-ie,” verklaarde Kraaij met enige opluchting. “Tijd om aan de slag te gaan.” En de keurig in het wit gestoken heren wandelden op hun gemak naar de kippenboerderij, een boodschappenkarretje achter zich aan trekkend. Bij het hek aangekomen belden zij aan. Achter het hek verscheen Baba Zwartschaap, het hulpje van Boer Jansen.
      “Wat motten jullie,” vroeg Baba onvriendelijk, want hij had het niet op uniformen.
      “Mijn naam is Vos,” verklaarde Vos, “Inspecteur Vos, wel te verstaan. En deze heer is mijn collega Kraaij. Wij zijn van de Inspectiedienst voor het Pluimvee. Hier zijn onze papieren,” zei Vos terwijl hij op achteloze wijze een blad vol stempels aan de ongeletterde Baba overhandigde.
      “In naam van De Koning,” las Baba met moeite, “gelast ik u onze geëerbiedigde Inspecteurs zonder enige beperking of hindernis geheel en al toegang te verschaffen tot uw kippenhouderij en alles wat daar op staat. Op straffe van kortsluiting. Getekend, Jan de Koning. Hoofd Dienst pluimveebevolking.”
      “De baas is er niet,” melde Baba, “dus dat moet maar even wachten.”
     “Hier wordt niet gewacht,” deelde Vos op bitse toon mede, “Wij zijn van het bijzondere inspectieteam dat juist op onverwachte momenten komt inspecteren en dit is zo’n onverwacht moment. Je hebt het bevel toch wel begrepen, niet?” En Heer Vos wapperde het rood gestempelde papier voor de verwarde Baba. “En bedenk wel dat wij niet alleen naar de kippen kijken maar ook naar de kwaliteit van het personeel en de medewerking die wij krijgen. Tijdrekken aan de poort aanvaarden wij niet. Tijd is geld. Opschieten dus. Anders sluiten we de tent. Dan komt niemand er in en gaat niemand er uit, jij ook niet.”
      “Als daar maar geen gedonder met Boer Jansen van komt,” mompelde Baba somber terwijl hij met tegenzin het hek opende.
      “Maak je geen zorgen,” uitte Kraaij op luchtige toon, “het enige wat je hoeft te doen is meewerken. En zo op het oog ziet het er hier best netjes uit. Inspecteur Vos ruikt u iets waar een luchtje aan zit?”
      “Eerlijk gezegd,” antwoorde Vos, “het ruikt hier best lekker. Laten we eerst maar eens een kijkje bij de kippenrennen nemen,” en begaf zich opgewekt naar de kippenleefruimten. Kraaij liep op zijn gemak achter Baba en Vos aan, het handige boodschappenkarretje op wieltjes achter zich aan trekkend.  
      “Leg maar eens uit hoe het hier in elkaar zit,” zei Vos op uitnodigende toon.
      “Nou, eh,” begon Baba, “hier aan deze kant zitten de aankomende hennen. Elke twee maanden begint Boer Jansen aan een nieuwe toom kuikens. Daar hebben we drie hokken voor.”
      De Inspecteurs bekeken de gebouwen en hun inhoud met oprechte belangstelling. “Een zeer goede opstelling,” beaamde Vos, “een mooi voorbeeld van doorlopende vernieuwing. Wij zullen onder de oudere kuikens wat steekproeven nemen. Baba,” wees Vos Baba aan, “Uit hok 2 die daar in het hoekje en dan uit hok 3 die dikkerd daar. Kraaij schrijf je dat even op in het rapportenformulier? Goed zo. Juist Baba, doe ze hier maar in,” sprak Vos geruststellend terwijl hij het boodschappenkarretje opende voor de piepende opgroeiende kippen.
      “En nu op weg naar de echte hennen,” sprak Vos welgemoed. “Laten we eens kijken hoe het daarmee staat.”
      De hokken met vrije uitloop van de leggers bevonden zich aan de andere kant van het erf en ook hier werd Vos getroffen door de fraaie opzet en inrichting van de legboerderij.
      “Het is bijna niet te bevatten,” mompelde Vos voor zich uit, “één mens met zoveel kippen.”
      “Daarom zijn wij dan ook hier,” verklaarde Kraaij op waarschuwende toon. Niet ten onrechte vreesde hij dat de in vervoering gerakende Heer Vos iets totaal ontoepasselijks zou zeggen en daarmee de argwaan van Baba zou opwekken.
      “Juist Baba, laten we maar verder gaan met de steekproeven. Ik zou zeggen haal er maar eentje uit de hokken 5, 7 en 10. Die kunnen er makkelijk bij.”
De grote kippen kakelden behoorlijk toen zij uit hun hokken gelicht werden. Uit voorzorg hielde de Inspecteurs enige afstand want zo dom zijn kippen nu ook weer niet wanneer het op het herkennen van hun natuurlijke vijanden aankomt.
      “En wat gaan jullie met die kippen doen,” vroeg Baba beklemd toen hij de nieuwkomers in het karretje stopte. “Boer Jansen vindt het vast niet leuk wanneer er kippen weggehaald worden voor de koning.”
      “Op last van De Koning,” verbeterde Sjaak. “Maak je geen zorgen, wij tekenen voor die kippen op het formulier van De Koning. Die kippen gaan mee voor nader onderzoek. Op kippenziektes. Dat kunnen we hier niet uitvoeren. Boer Jansen ontvangt binnen een paar dagen een rapport van ons. Maar je kan hem alvast meedelen dat wij onder de indruk zijn van de manier waarop zijn bedrijf opgezet is. Als die steekproefkippen nu ook nog gezond blijken te zijn dan is alles in orde.”
      “Zeker,” beaamde Vos, zich richting uitgang begevend. “Het is een smakelijk etablissement waar we vaker hopen te komen. En jij, Baba, hebt ons goed ten dienste gestaan. Onze complimenten. Wij zullen dat in ons rapport vermelden. Sjaak mag ik dat formulier even, dat van De Koning. Dan teken ik dat af. Goed zo,” besloot Heer Vos, “Heer Baba, jij kan dit document bewaren en vergeet niet om het aan je baas te geven wanneer hij terugkomt. Het is nu tijd voor ons om met deze hennen aan de slag te gaan en dan hoort Boer Jansen het wel. Goedemorgen! En tot ziens.”
      En daar toog ons gezelschap op weg, bij het hek links af de asfaltweg volgend tot aan het zandpad aan de rechterkant dat naar de Bovendoornsche heuveltop leidde en de daar achter gelegen bossen. Vos keek met welgevallen naar het bord aan het begin van het pad. Er stond op:

Bovendoornsche Bossen.
Beschermd natuurgebied.
Niets plukken of beschadigen.
Laat de dieren met rust.
Houd uw hond strikt aan de lijn.
Overtredingen worden streng gestraft.

      “No home like home,” bevestigde Heer Vos tevreden. “Toch wel een heel gedoe, dat gesleep met dat karretje” vervolgde Heer Vos die het karretje moeizaam voorttrok over het hobbelige, steigende zandpad, “maar wel zeer de moeite waard.”
      Bovenop de heuvel stelde Vos een korte rustpauze voor. “Dat gezeul met dat karretje is best uitputtens,” merkte Vos op, “en hier kunnen we op ons gemak het menu bespreken met uitzicht op de voormalige huisvesting van onze hoofdschotel. Ik zelf ben erg voor geroosterde kip. Zo langzaam gaar stoven op een laag, geurig hout vuurtje, dat kan niet beter.....”
      Uit het karretje klonk gesmoord gekakel.
      “Maak je niet druk,” voegde Vos de kippen toe, “aan alles komt een einde. Of hadden jullie zelf een beter voorstel?”
      “Daar komt Boer Jansen komt aangereden,” merkte Kraaij attent op. “Kijk, Baba doet het hek open om de pickup met voer binnen te laten.”
      “Heel geschikt van Boer Jansen,” gaf Heer Vos te kennen, “dat voeren van ons avondmaal. En ook leuk voor de kippen, al dat goede eten in zo’n prettige omgeving!”
      Dit maal klonk het gekakel uit het karretje een stuk minder gesmoord.
      “Jullie zouden blij moeten zijn dat Kraaij en ik van kippen houden,” hield Heer Vos de kippen voor, “en bovendien is het goed voor jullie om te leren dat niet elk beest in zo’n welvaartsstaat als die van jullie leven. Menigeen moet zijn eigen maaltijd bij elkaar sprokkelen, zoals wij bij voorbeeld, en jullie zien nu zelf hoeveel werk dat met zich mee brengt........”
      Er viel een drukkende stilte. Maar niet voor lang. Vanaf de weg klonk verwoed geblaf en als een vos verwoed geblaf hoort gaat de rode alarm knop aan.
      “Wat gebeurt daar?” vroeg Heer Vos achterdochtig.
      Kraaij fladderde op om een beter zicht op de omgeving te hebben – en kon meteen zien wat er aan de hand was.
      “De honden staan bij het hek van de boerderij en Boer Jansen laat ze iets ruiken. Een papier met rode stempels,” lichtte Kraaij Vos in.
      “Ojee, dat is het Bevel van De Koning,” begreep Vos, “Kraaij we moeten er vandoor. Boer Jansen zet Bullie Dozer en Spike op ons spoor. Wegwezen!”
Ons tweetal begaf zich ijlings dieper de Bovendoornsche Bossen in doch werden in hun vluchtpoging belemmerd door het boodschappenkarretje met inhoud dat zij achter zich aanzeulden. De kippen in dat karretje maakten nu een hels lawaai. Thea, assistent legleidster uit hok 6, kukelde luidkeels: “Zusters, het is nu of nooit, het is er op of er onder, kukel wat je kan anders valt er niets meer te kukelen!” Ook de kippen hadden het hondengeblaf gehoord en herkend.
      “Als Bullie Dozer deze onverlaten te pakken krijgt zul je eens wat meemaken!” kukelde zij vol overtuiging. “Maar het moet wel snel,” voegde zij er wat minder zeker aan toe.
      “Is het nog ver, die burcht van je?” vroeg Kraaij op indringende wijze. “Of heb je iets dat dichterbij is waar je je kan verstoppen, liefst met buit natuurlijk.”
      Vos kreunde. De wereld deugt niet, besefte hij. Middels een meesterlijk plan krijg je je lievelingsmaal in het boodschappenkarretje en dan komen die afschuwelijke honden de pret verstoren!
      “Ik was van plan naar de oude boshut te gaan. Zoals je weet is het daar goed koken. Je hebt een dak boven je hoofd en we kunnen die kippen daar ook wel een tijdje vasthouden. Maar dat redden we niet.”
       
      De afschuwelijke honden waren inmiddels een stuk dichterbij gekomen. En  achter de honden liepen Baba en Boer Jansen puffend de heuvel op. “Kijk daar is het spoor van het karretje,” zei Boer Jansen, “daar zitten mijn kippen in. Natuurlijk zit die Vos daarachter. En jij, Zwartschaap, bent een uilskuiken. Toegang op last van De Koning, Hoofd der Veterinaire Inspectie afdeling Pluimvee. En dan die stempels. Gewoon gemaakt door met rood kleurpotlood te krassen op een papier met een muntstuk met de afbeelding van onze majesteit de Koning er onder.”
      De honden waren inmiddels uit zicht verdwenen. Boer Jansen en Baba sjokten achter het spoor aan. In de verte klonk zwak het hondegeblaf en toen werd het merkwaardig stil.
      Die stilte werd veroorzaakt door wat zich in het brein van Vos had afgespeeld. Heer Vos was tot het ontluisterende inzicht gekomen dat de situatie onhoudbaar geworden was en dat hij afstand zou moeten doen van de kippen die hem zo dierbaar waren. De zaak was nu om zonder kleerscheuren met behoud van lijf en ledematen van het gevogelte af tekomen. Tot verbijstering van Sjaak stopte Heer Vos plotsklaps zijn gehaaste aftocht en draaide zich om teneinde de aanstormende honden recht in de ogen te kijken. Terwijl de tierende honden zich klaar maakten voor een verscheurende sprong en Sjaak vanuit veilige hoogte vanuit een boom de ontwikkelingen gadesloeg spelde Heer Vos een blazoen op zijn witte inspecteursjas.
      “Heren,” sprak Heer Vos de honden streng toe, “beseft u wel dat u zich in beschermd natuurgebied bevindt waar de dieren die daar leven met rust gelaten moeten worden? En dat overtredingen streng gestraft worden? Ik ben zo’n beschermd dier. En niet alleen dat, ik ben ook assistent boswachter klasse 4b. 4b van vierbenig,” voegde Vos er aan toe, op het blazoen tikkend. “Wij staan onder toezicht van klasse 2b. 2b van tweebenig. De mens dus, die is de boswachtmeester. Onze boswachtmeester zal jullie wel weten te vinden als jullie ook maar een poot naar mij uitsteken. Boswachtmeester Hendrikus Groen zal bovendien jullie 2b’er Boer Met Jansen aanspreken over zijn gebrek aan eerbied voor bescherm natuurgebied, nalatigheid in het handhaven van het met rust laten van de dieren die leven in de Bovendoornsche Bossen en het niet aan de lijn houden van zijn honden. Dat gaat hem een stevige duit kosten. Jullie honden zullen, als je geluk hebt, in het asyl voor werkloze honden belanden.”
      Lezer, het moet gezegd worden dat hoewel Bullie Dozer en Spike ijzersterke honden zijn, deze waakzame beesten niet begiftigd zijn met een buitengewoon goed stel hersens. Bullie keek Vos met troebele ogen aan. “O ja,” sprak hij duister, “en wat ga jij er aan doen als ik je in een keer uit je vossenlijden verlos met een goede knauw in je nek?”
      Heer Vos, ondanks zijn bravoure, huiverde. “Beste Bullie,” antwoorde Vos op vriendelijke en verklarende wijze, “zie je dat zwarte ding daar in die boom? Begrijp je dat dat ding kan vliegen met reisbestemming boswachtmeester klasse 2b, toevallig ook de buurman van jouw Boer Jansen? En dat deze Boswachtmeester je vervolgens zal opwachten bij het hek en voordat je het weet zit jij opgesloten wegens moord op een bescherm dier.”
      “En die kippen dan,” kwam Bolle Bullie terug, “die heb je gewoon gestolen. Je ben een oplichter. Die kippen zijn geen beschermd natuurgebied.”
      “Precies,” zei Vos, “dat is nu juist zo leuk aan ze.”
      “Die kippen zijn van Boer Jansen,” verklaarde Bullie, “en daar gaan ze weer naar toe, met of zonder boswachter klasse 2b.”
      Voor het eerst klonk er nu vrolijk en bemoedigend gekukel uit het boodschappenkarretje.
      “Misschien zijn ze nu wel een eitje aan het leggen,” sprak Vos hoopvol. “Ik begin best honger te krijgen.”
       In de verte klonk geroep. “Bullie, Bullie! Spijker, Spijker!”
      “Het is in jullie belang en dat van jullie werkgever om er nu als hazen van door te gaan,” drong Vos met klem aan. “Deze verstoring van de natuur heeft nu wel lang genoeg geduurd.”
      “Malle Eppie,” blafte Bullie, die hoewel niet echt slim ook niet echt dom was. “Wij stappen op, maar met medeneming van dat karretje met inhoud. Spijker, trekken maar!”
      “Afblijven!” kefte Vos, “dat is mijn karretje! Dieven!”
      Bolle Bullie en Spijker lieten een hondengehuil horen dat er niet om loog en begonnen met het karretje aan de terugweg.
      “De honden hebben Vos te pakken, Baba,” gaf Boer Jansen te kennen. “Er op af!”
      “Best zwaar, dat karretje trekken,” liet Bullie weten.
      “Het zou dan ook veel beter zijn als je er eentje uithaalde,” bedacht Vos, “dat scheelt best in de moeite.”
      “Komt niets van in,” deelde Bullie vast besloten mee. “Maak nu maar dat je weg komt voordat Boer Jansen je ziet want dan zijn de poppen pas echt aan het dansen!”

En zo ging het ook. Heer Vos verwijderde zich om op veilige afstand de loop der gebeurtenissen gade te slaan. Hij zag de honden voortploeteren richting heuveltop. Halverwege ontmoette Boer Jansen het honden- en kippengezelschap.
      “Goed gedaan jongens,” prees Boer Jansen de waakhonden, ”Jullie hebben wel een extra bot verdiend. Jammer dat jullie die vos niet te pakken hebben kunnen nemen. Maar dit is wel een best leuk karretje.”
      Die mening werd echter niet gedeeld door de inhoud van het karretje. De kippen keerden flink geschokt terug in hun hokken en de leggers waren behoorlijk van de leg af. Merkwaardigerwijze klopte Boswachter 2b Hendrikus Groen die avond inderdaad bij Boer Jansen aan. “Het is maar goed dat wij buren zijn,” verklaarde Hendrikus aan de deur, “want ik moet je toch onder ons er op wijzen dat honden alleen aangelijnd het bos in mogen. Ook al is die Vos er met je kippen vandoor. Uiteindelijk zijn er in dit land nog maar een paar wilde vossen over en staat het bol van de legkippen.”
      “Er is ook zoiets als mijn en dijn,” weerlegde Boer Jansen, “er daar hebben die vossen geen oog voor. Je denkt toch niet dat ik zo’n vos ongestraft met mijn kippen er van door laat gaan!”
      “Boer Jansen, als jouw honden hier in het bos ongelijnd rondrennen dan is het verschil tussen mijn en dijn ook zoek. Want die honden gaan achter van alles aan, zoals konijnen, hazen of fazanten; allemaal dieren die geen kippen roven. Dus als je een probleem met vos in het bos hebt, kom dan eerst naar mij dan kunnen we het probleem gezamelijk volgens de regels oplossen.”
      Het was jammer voor Heer Vos dat deze beschermende uitspraken hem ontgingen. Vos kon best wel wat opbeurende woorden gebruiken. Nadat de honden uitbundig blaffend met het karretje vertokken waren sleepten en fladderden Vos en Kraaij zich moeizaam naar de oude boschhut. Daar lag nog net een pakje kippensoep in de kast met noodransoenen dat ons gezelschap tot avondmaal diende.
      “Vullen doet het niet echt,” gaf Vos te kennen, “en het is niet meer dan een voorproefje voor een hoofdmaaltijd die er niet is. Wat denk je Kraaij,” vervolgde Heer Vos, “zouden ze in Barneveld ook vossen aannemen?” (Barneveld, dierbare lezers, is het Mecca voor de kippenkenners. Daar bevindt zich de Hogeschool voor de Kippenkunde!).
      “Ik moet het daar toch eens met boswachter Hendrikus Groen over hebben. Misschien dat hij wel een goed woordje voor me wil doen! Hendrikus zal het vast waarderen wanneer een vos zoals ik tot de hoger opgeleiden wil behoren,” besloot Heer Vos, “en hij op deze manier kan bijdragen aan het einde van de vossendiscriminatie. Of is het misschien handiger om de Vereniging van Vrienden van het Gevogelde Dier op te richten?”

      Zoals jullie zien, beste lezers, had het karige avondmaal Heer Vos tot nadenken gestemd. Nu is het tijd voor een goede nachtrust en dan zien we morgen wel weer verder!!